De stem van Jezus in de evangeliën

Wie de evangeliën openslaat, gaat er doorgaans van uit (zonder zich daarvan per se bewust te zijn), dat

         1. wat daar over Jezus verteld wordt wel zo ongeveer zal overeenstemmen met wat er echt gebeurd is;
         2. de tekst wel een redelijk correcte weergave zal zijn van wat de evangelisten hebben opgeschreven.

Dat is echter iets te simpel gedacht.




 


ad. 1 het verhaal.
Tussen het oorspronkelijke Jezus-gebeuren (ca. AD 30-33) en de eerste schriftelijke fixatie daarvan zoals wij die kennen (de 'evangeliën') ligt een periode van zo'n 30-60 jaar, waarin de mondelinge overlevering het verhaal van Jezus levend heeft gehouden. Daarnaast zijn er compilaties van 'spreuken', 'wonderen (tekenen)' etc. van Jezus in omloop geweest. Een verzameling logeia (spreuken, gelijkenissen, gesprekken), door wetenschappers Q genoemd (< Duits Quelle = bron) is min of meer reconstrueerbaar, omdat Lukas en Mattheüs onafhankelijk van elkaar hiervan grote delen hebben overgenomen. De verhalen in Q stonden blijkbaar los naast elkaar (geen raam-vertelling, geen context). Markus heeft - voorzover we weten - als eerste een verhaalstructuur aangebracht en bovenal het einde opgeschreven: de "Passie" (Pesach in Jeruzalem, proces en kruisiging, vrouwen op de Paasmorgen). Mattheüs en Lukas hebben het stramien van Markus overgenomen, naar behoefte/noodzaak herordend, aangevuld met verhalende stof en spreuken uit Q, en eigen materiaal. De overgeleverde stof is vaak geherformuleerd, gehergroepeerd (bijv. de compilatie van verspreide spreuken in de Bergrede door Matthëus) en aan de context/vertelsituatie aangepast. Zij hebben beiden het verhaal ook een heel eigen inleiding gegeven. Hier een schematisch overzicht. Wie de teksten leest, zal al snel merken dat elk van de drie genoemde evangelisten een eigen boek heeft geschreven, met eigen sfeer, accenten, beeld van Jezus.


ad. 2. de tekst
Na de eerste vastlegging op schrift (oer-Markus, -Mattheus, -Lukas) worden die versies vermenigvuldigd, d.w.z. gekopieerd, overgeschreven. Zo raken ze verspreid in de antieke wereld. Dit gebeurt zonder supervisie, controle, gewoon naar de behoefte van de geloofsgemeenschappen. Ook de overschrijvers waren niet perse professionelen. Er werd - zo weten we uit de oudste bronnen - uit voorgelezen in de samenkomsten. De oorspronkelijke versies zijn er niet meer? Wat we hebben zijn kopieën van kopieën van kopieën van..., en vaak fragmentarisch. Elke versie/kopie hoort bij een concrete geloofsgemeenschap. Het was gebruiksmateriaal. En het voornaamste gebruik was liturgisch (voorlezen in samenkomsten, naast de teksten van het Heilige Boek: de Joodse bijbel). De versies in omloop verschillen nogal van elkaar. Origenes klaagde daar in de 3de eeuw al over. Je kunt dat ook eenvoudig zelf vaststellen door wat er nog is, naast elkaar te leggen (collationeren) en met elkaar te vergelijken. In 1707 heeft John Mill (Queens College, Oxford) dat voor het eerst systematisch geprobeerd. Hij had ongeveer 100 handschriften en vond ca. 30.000 variaties daarin. Hij bracht die onder in een systeem ('kritisch apparaat') en publiceerde het resultaat. Daarbij had hij - om het overzichtelijk te houden - verschillen in woordvolgorde binnen een zin niet mee opgenomen. Nu kennen we ca. 5.700 handschriften... (van piepkleine fragmentjes, tot volledige samengebonden folianten).

 

Een bladzijde uit een hedruk van Mill's zeer lijvige boek (er bestond nog geen afkortingssysteem (met sigla) voor al die codexen, boeken, manuscripten. Een criticus schreef dat Mill "had destroyed the validity of the text", Een ander nam het voor hem op (zelf kon hij het niet meer, want hij was kort na publicatie overleden) door droogweg op te merken dat "Mill was not responsible for the differences between the various manuscripts, he only pointed them out."  

 

De bijbelwetenschap probeert de relevante tekstgetuigen deftig te ordenen, de verschillen te rubriceren, en te verklaren. Précaire bezigheid. De oorspronkelijke kopiisten (in het engels: scribes, niet te verwarren met die andere 'scribes', de Schriftgeleerden uit het NT) waren geen mechanische kopieermachines. Al schrijvend corrigeerden ze fouten (of wat ze als fouten zagen), maakten (zeker in het begin) zelf weer nieuwe fouten, brachten verbeteringen aan (uit zichzelf, of op grond van andere teksten, of omdat iemand anders het (anders) zei, of...?), etc. Pragmatisme (gebruiksnut) was het voornaamste in de begintijd (tot ver in de tweede eeuw): men moest een goed leesbare, zinvolle tekst hebben. Daarbij was er geen centrale controlerende instantie ('Rome' bestond wel, maar dat was nog niet het Rome van vandaag; grote steden (zoals Antiochië, Alexandrië, Byzantium, en Rome) en diverse grote kloosters begonnen wel meer en meer te verzamelen, te centraliseren, en het kopieerproces te superviseren. Maar dan zijn we al een eind in de 3de eeuw. [dan is Jezus als net zolang geleden dan voor ons ... Napoleon]. Vanaf het begin van de 4de eeuw begint eenvormigheid van overgeleverde manuscripten (in groepen) op te vallen. Ook wel logisch: het christendom wordt een erkend en top-down georganiseerd religieus instituut met staatssteun (312: Constantijn). Dan moet het allemaal een beetje deftig gebeuren natuurlijk. Ook de grote concilies worden georganiseerd. Interne pluraliteit is van danaf helemaal taboe. Un Dieu, une loi, une foi, of preciezer: Un Dieu, un César, un pape, une seule Église, un seul dogme.


Diversiteit en uniformiteit>

Eerst is diversiteit in de 'christelijke gemeenschappen'. Uniformiteit komt later.
De Jezusvolgers waren van meet af aan een bont gezelschap, ook intern: (denk aan 'Korinthe' in de brief van Paulus). Dat gaat over opvattingen die circuleerden, teksten die ze gebruikten, en produceerden. Deze gemeenschappen waren dan ook cultureel nog eens divers, en geografisch verspreid over het hele Midden-Oosten, Noord-Afrika, tot in Italië en Z-Frankrijk/Spanje. Een gemeente kan een groepje vrome Joden zijn geweest, die - in de marge van de synagoge - in Jezus de Messias zagen, maar geen God natuurlijk. Het kan ook een groepje mystiek geöriënteerde 'Hellenen' zijn die meenden dat Jezus een soort avatar van God was, die geheime waarheden onthulde (Gnostisch). Of een gezelschap dat ervan overtuigd was dat de mens Jezus door God was geadopteerd bij zijn doop ("Mijn zoon zijt gij, ik heb u heden..."), en bij de kruisiging door God weer was verlaten ("Mijn God mijn god, waarom...")  etc... Wij noemen dat nu 'ketterijen' maar die term komt pas in zwang als bepaalde groep het voor het zeggen krijgen en zich het alleenrecht op de interpretatie van de leer aangaande Jezus toeëigent (zichzelf "orthodox" noemt) en de andersdenkenen, andersgelovenden, andersvoelenden "verketterd". Dat laatste zien we gebeuren vanaf het midden van de tweede eeuw... (de eerste 'kerkvaders' die in hun geschriften de puntjes op de "i" zetten). Ik houd vast: Eerst is er verscheidenheid (met spanningen, soms conflicten, scheuringen, maar nog steeds divers), een breed palet... Dan ontbrandt er een machtsstrijd die niet meer te stuiten is. Van danaf geldt, en eindigt het met: 'The winner takes all'.  Hij schrijft nadien ook (de) geschiedenis (op), en gebruikt daarbij natuurlijk de 'juiste, denigrerende, veroordelende termen' voor de verliezers: Hoe nobel of naïef ook: het zijn ketters. Hun geschriften worden vernietigd, want gevaarlijk (gnosis, docetisme, ebionieten en wat dies meer zij... ) Historici, let op uw taal.


Terug naar het onderwerp: Hoe zit het met de evangeliën, de geschriften: Wel: Ook die weerspiegelen eerst de diversiteit en worden gaandeweg uniformer. Men leest ook niet alle vier evangeliën meteen. In Rome las men Markus (zonder het laatste hoofdstuk, dat was niet nodig) over Jezus die wonderen doet, en de duivel slag om slinger verslaat. In die Joodse groep (rond de synagoge) werkt men samen om de link tussen Jezus Messias en het boek van het Oude verbond zo duidelijk mogelijk zichtbaar te maken, zowel in het 'Jezusgebeuren' als in wat hij 'doet en zegt' (Je merkt dat zinnen als "opdat vervuld wordt hetgeen gesproken is door", maar ook in de herformulering of contextualisering van gelijkenissen etc.). Ginds las men Lukas in een korte vorm want de sociale aspecten van Jezus, en het appèl om zelf verantwoordelijkheid te nemen wel aansprekend... Maar men las ook het 'Evangelie van Petrus' of in de tweede eeuw (maar dan neemt de spanning al toe), het evangelie van Thomas. Een laatkomer onder de canonieke evangelies is trouwens Johannes. Wellicht al wel vroeger geschreven, maar het krijgt pas bait in de tweede helft van de tweede eeuw, maar dan ook goed. Men wisselde uit, beïnvloedde elkaar, paste aan, wees af, had voorkeuren etc.. Daarbij —nogmaals—  waren de manuscripten voor ( locaal) gebruik. Als ze versleten waren, werden ze vervangen, d.w.z. overgeschreven (en opnieuw: al dan niet aangevuld, verbeterd op grond van... ) of echt vervangen door of aangevuld met andere. Gewoon menselijk. Aan het eind van de 3de eeuw zien we 'families' van manuscripten ontstaan, tekstversies die nauw aan elkaar verwant zijn qua redactie (ook worden ze steeds vaker samengebonden: codexen) of op duurder en duurzamer perkament geschreven. De 'status' stijgt. Het worden 'heilige Geschriften'. Na de diversiteit komt de uniformiteit (ook in teksten, en rituelen, liturgie, opvattingen, maar niet zonder enkele 'harde beslissingen'). Op grond van wat we nu aan materiaal hebben uit de eerste 4 eeuwen (oudste handschrift stamt uit de 2de eeuw) onderscheidt men gewoonlijk drie grote families (d.w.z. tradities in tekst-overlevering)

De Alexandrijnse, Westerse, en Byzantijnse tekstamilies

De namen van de tekstfamilies zijn in de 18de/19de eeuw toegekend op basis van de toen vermoede geografische herkomst van de manuscripten. Hoewel we daar nu veel meer over weten (de diversiteit was groter, en de spreiding veel meer netwerk-achtig, dan geografisch) blijven de namen toch gebruikt worden als labels. Vandaar.

Tekstfamilies van de Evangeliën

Dit overzicht koppelt de fysieke getuigen (papyri, codexen) aan de tekstkritische hoofdstromen en hun specifieke kenmerken.
P = Papyrus (vaak onderdeel van een verzameling, niet altijd enkel bijbelmateriaal, vaak stukken van wat wij nu bijbelboeken noemen). Tegenwoordig is er weer een hevige discussie over de datering van enkele 'oude papyrusfragementen, m.n. P52, P66 en P75. De traditionele datering plaatste die vaak in de tweede eeuw, maar doorgedreven archeologisch, papyrologisch, handschriftkundig onderzoek heeft hier vragen bij gesteld. Niet dat het niet kan, maar het kan vaak ook later zijn. Dit is in die zin belangrijk, dat de veronderstelde 'ouderdom' van die fragmenten ze tot 'stamvader' van een latere traditie maakte (autoriteit verleende). Als ze niet zo oud zijn (of je bent niet zeker), dan is er vaak geen 'stamvader' meer, enkel traditie. In de tabel worden beide dateringen gegeven.


* Trad. = traditionele datering (wetenschappelijke stand ca. midden 20ste eeuw)
* Krit. = alternatieve datering (recente ontwikkelingen, gebaseerd op groundbreaking research van Bent Nongbri, m.n. archeologisch, papyrologisch en grafologisch onderzoek + openlaten van onzekerheden)

Belangrijkste Getuigen (Datering & Inhoud)

ken

Tekstfamilie

Beschrijving

Kenmerken & Verschillen

Alexandrijnse Tekst



P52 (snipper, enkele verzen van Joh.) | Trad*: 125 / Krit*: 150-225 kan ook...
P66 (Joh. bijna volledig) | Trad: 200 / Krit: 3e-4e eeuw
P75 (Luk/Joh) | Trad: 175-225 / Krit: vroeg 4e eeuw
Codex B (Vaticanus) | ca. 325-350 (4e eeuw)
Codex ℵ (Sinaiticus) | ca. 330-360 (4e eeuw)

  • Karakter: "Sober en kort." Wordt door de NA28 (meest recente kritische uitgave) als de meest betrouwbare bron gezien.

  • Verschillen: Mist vaak latere toevoegingen zoals het slot van Marcus (16:9-20) of de overspelige vrouw (Joh. 7:53-8:11).

  • Opmerking: polijsting tekstueel en theologisch niet onmogelijk. Vergelijking met Westerse tekst zinvol.

Westerse Tekst



Codex D (Bezae; Evang/Hand) | 5e eeuw (bron wellicht terug tot de 2e eeuw)
Cyprianus (Citaten Latijn) | ca. 250 (vroege datering)
it (Vetus Latina) | v.a. 2e eeuw (zeer vroege tekst). En zeer veel andere Latijnse vertaling die circuleerden. De Vulgaat is er nog niet.
sys (Sinaitisch Syrische vertaling) | 4e/5e eeuw (bron ca. 150)

  • Karakter: "Vrij en parafraserend." Soms langer, maar soms ook korter (Westerse niet-interpolaties).

  • Verschillen: Bevat unieke verhalen of alternatieve bewoordingen die wat ruwer aanvoelen.

  • Opmerking: Deze familie bewaart vaak een "lastigere" versie, tekstueel en ook theologisch. Vergelijking met Alexandrijnse tekst zinvol.

Byzantijnse Tekst


Codex A (Alexandrinus) | 5e eeuw (Byzantijns in Evangeliën)
𝔐 (Meerderheidstekst) | 9e – 15e eeuw (opgeschoonde zuivere tekst voor kerkelijk gebruik) (manuscripten uit dee traditie lagen aan de basis van de Textus receptus in West-Europa (Erasmus etc.)

  • Karakter: "Gepolijst en harmoniserend." De basis voor de Textus Receptus van Erasmus (die 6 à 7 incomplete manuscripten had).

  • Verschillen: Combineert vaak lezingen om tegenstrijdigheden weg te nemen. Bevat alle bekende interpolaties.

  • Opmerking: Moeilijke passages worden vloeiend gemaakt, geschikt voor liturgische gebruik.

 

Speciaal Geval: Codex Washingtonianus (W)

Dit manuscript uit de 4e/5e eeuw is een gemengde tekst. Het laat zien hoe verschillende teksttradities ook samen kunnen komen in één band. De kopiist van dienst heeft manuscripten (Vorlage) uit verschillende tradities gebruikt om zijn Bijbel-codex te kunnen maken. De naam Washington verwijst naar de huidige locatie (Smithsonian instituut). De codex zelf is gevonden in Egypte (nabij Gizeh). Het weerspiegelt waarschijnlijk de bibliotheek van een Egyptisch klooster waar manuscripten uit verschillende windstreken (Rome, Syrië, Alexandrië) aanwezig waren en gekopieerd werden.

De "Blokken" van Codex W

Het manuscript (gedateerd eind 4e of begin 5e eeuw) is als een lappendeken van tekstfamilies:

  • Mattheüs: Grotendeels Byzantijns.
  • Marcus 1:1 – 5:30: Westers (verwant aan de Oud-Latijnse vertalingen).
  • Marcus 5:31 – 16:20: Caesareaans (een familielid, verwant aan zowel de Westerse als de Alexandrijnse tak) .
  • Lukas 1:1 – 8:12: Alexandrijns.
  • Lukas 8:13 – 24:53: Byzantijns.
  • Johannes: Alexandrijns (met name verwant aan P66 en P75).

Het "Freer Logion"

de term "Freer Logion" (genoemd naar Charles Lang Freer, die het manuscript in 1906 kocht) is een uniek stukje tekst (Logion) ingevoegd aan het slot van Marcus (na vers 14). Deze komt in geen enkel ander manuscript voor. Het bevat een dialoog tussen de discipelen en Jezus over de macht van Satan en de zonde.


Bekende invoegingen (interpolaties)

Onderstaande tabel verduidelijkt of de bekendste tekstuele toevoegingen aanwezig zijn in de Westerse traditie (met name Codex Bezae) en wat de wetenschappelijke consensus over hun herkomst is.

Passage

Wetenschappelijke Context

Marcus 16:9-20
(Lange Slot)

Afwezig in de Alexandrijnse manuscripten
Aanwezig in de Westerse tekst

Johannes 7:53-8:11
(Overspelige Vrouw)

Afwezig  in de Alexandrijnse manuscripten
Aanwezig in de Westerse tekst

1 Johannes 5:7-8
(Comma Johanneum)

Afwezig in de Alexandrijnse manuscripten
Afwezig in de Westerse tekst
Afwezig in de Vulgaat (Hieronymus' vertaling)
latere Latijnse toevoeging (7de/8ste eeuw) die in Griekse teksten opdook.

Doxologie Onze Vader

Afwezig in de Alexandrijnse manuscripten
Afwezig in de Westerse tekst
Afwezig in de Vulgaat (Hieronymus' vertaling) en dus in rooms-katholieke liturgie
Aanwezig in Byzantijns, toegevoegd vanuit liturgisch gebruik.


 

Wat ontbreekt in de Westerse tekst? (enkele voorbeelden uit Lukas)

Passage

Wat ontbreekt in de Westerse tekst (D)?

Mogelijk motief voor toevoeging in Alexandrijnse tekst

Luk. 22:19b-20

Avondmaal (geen offer) beker eerst.

Liturgische harmonisatie met de teksten van Paulus (Avondmaal).

Luk. 24:12

Het bezoek van Petrus aan het graf.

Harmonisatie met Johannes? Lichamelijke opstanding (doeken)?

Luk. 24:36

De groet "Vrede zij u".

Vroomheids-element uit de vroege kerkelijke liturgie.

Luk. 24:40

Het tonen van de handen en voeten.

Versterken van (het geloof) in een fysieke (vlees en bloed) opstanding.

Luk. 24:51

De woorden "opgenomen in de hemel".

Expliciet maken van de Hemelvaart als historisch feit.

Meer in detail

 Lukas 22:19b-20 – Het Avondmaal (lange versie)

Dit is een zeer complex en cruciaal tekstkritisch punt.

  • Alexandrijns: Bevat de volledige instellingswoorden: "...het lichaam dat voor u gegeven wordt, de beker die voor u uitgegoten wordt, nieuwe verbond..."

  • Westers (D, it): Breekt abrupt af na "Neemt, eet dit is mijn lichaam". De hele passage over de tweede beker en het offer voor de zonden ontbreekt, terwijl de beker eerst komt (geeft hem door, ik zal hem niet meer drinken). Opvallend: in een oud geschrift (Didache , ca 110) komt een instructie voor het Avondmaal voor, die overeenstemt met deze korte versie. Los van 'is dit origineel' zegt dit op z'n minst dat er in de eerste christenheid op verschillende manieren het gedachtenismaal werd gevierd

  • Theologische reden: De kortere Westerse tekst werd later uitgebreid om overeen te komen met de woorden van Paulus in 1 Korinthe 11, d.w.z. de gangbare liturgische formulering in kringen rond Paulus?

Lukas 24:12 – De Petrus-passage

  • Alexandrijns (P75, B, ℵ): Bevat het vers waarin Petrus naar het graf rent en de doeken ziet liggen. Sommigen hebben een deel, anderen het gehele vers.

  • Westers (D, it): Dit vers ontbreekt volledig. Het paasmorgenverhaal eindigt met de discipelen die het verhaal van de vrouwen afwijzen als 'zotteklap' en niet geloofden. Daarna volgt meteen het verhaal van de Emmaüsgangers.

  • Theologische reden: Harmonisatie met/vanuit Johannes 20? Rehabilitatie van Petrus?

Lukas 24:36 – De vredegroet

  • Alexandrijns: Jezus komt in hun midden "en zei tegen hen: Vrede zij u."

  • Westers (D, it): De woorden "en zei tegen hen: Vrede zij u" ontbreken. De tekst gaat meteen verder "Ze waren verbijsterd..."

  • Theologische reden: Liturgische uitbreiding/harmonisatie? De groet werd zo standaard in de vroege kerk, dat ze in de tekst bijna vanzelf in de tekst is "ingevloeid".

Lukas 24:40 – Het tonen van handen en voeten

  • Alexandrijns: "En toen Hij dit gezegd had, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn voeten."

  • Westers (D, it, sy-s): Dit vers ontbreekt volledig.

  • Theologische reden: De lichamelijkheid van de herrezen Jezus wordt onderstreept (anti-docetisme / grote groepen geloofden wel in een geestelijke verschijning van Jezus, maar niet in...).

Lukas 24:51 – De Hemelvaart

  • Alexandrijns: Terwijl hij hun zegende ging hij van en heen "en Hij werd opgenomen in de hemel."

  • Westers (D, it): De woorden "en werd opgenomen in de hemel" ontbreken. Jezus ging dus 'weg' (zoals bij de andere verschijningen). Elke verschijning eindigt met een verdwijning. Punt.

  • Theologische reden: De Westerse tekst bewaart hier wellicht de versie van vóór de expliciete "leer van de hemelvaart" als afronding van een in de tijd beperkte serie 'verschijningen'. Lukas zoals wij die nu kennen is de enige die periodiseert (40 dagen na Pasen = Hemelvaart) 50 dagen = Pinksteren. Mattheüs rond af met de missieopdracht, Markus 16 vanaf vers 9 is sowieso later toegevoegd. Zowel Alexandrijns als Westers. Zie hierover ook de meditatie voor hemelvaart..

 

Varianten in enkele kernteksten

Tekst

Variant / Verschil

Traditie & Context

Onze Vader

Afwezigheid van de slot-doxologie en korte versie in Lukas


De doxologie is een Byzantijnse toevoeging vanuit liturgisch gebruik.

In Lukas is het Onze Vader in enkele westerse versies (P75, B)  nog korter:
Geen 'uw wil geschiede...'
Geen 'verlos ons van het kwaad'.
In enkele Latijnse versies is zelfs een andere bede te lezen: 'de heilige geest reinige ons...'
kortom: Gebruik bepaalt de tekst.

Kruiswoorden Lukas 23:34

"Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen."

Ontbreekt in o.a. P75, B.
Latere toegevoegd om Jezus' genade te benadrukken?
Of:
In die twee weggelaten omdat Jezus hier voor Joden bidt?

 

Lijst (sigla) van belangrijke tekstgetuigen

In de tekstkritiek worden manuscripten aangeduid met letters, cijfers of Griekse tekens. Hieronder volgen de meest voorkomende symbolen die in de discussie over de Evangeliën worden gebruikt.

 

Symbool

Naam van het Manuscript

Betekenis en Belang

P (cijfer)

Papyrus

Verwijst naar de oudste manuscripten geschreven op papyrus. P75 is cruciaal voor de teksten van Lukas en Johannes.

ℵ (Aleph)

Codex Sinaiticus

Een van de belangrijkste 4e-eeuwse manuscripten. Bevat het volledige Nieuwe Testament. Gevonden in het Katharinaklooster (Sinaï).

B

Codex Vaticanus

Gedateerd rond 325-350. Wordt vaak beschouwd als het meest betrouwbare Alexandrijnse manuscript. Ligt in de Vaticaanse bibliotheek.

D

Codex Bezae

Ca. 400. Het belangrijkste manuscript van de Westerse tekstfamilie. Bevat de Griekse en Latijnse tekst naast elkaar. Bekend om afwijkende lezingen.
Th. De Bèze is de verwerver, naamgever. Nu in Cambridge.

A

Codex Alexandrinus

Een 5e-eeuws manuscript dat in de Evangeliën de Byzantijnse traditie volgt, maar elders vaak Alexandrijns is.

𝔐 (of Byz)

Meerderheidstekst

Verwijst naar de grote groep (meerderheid) van latere middeleeuwse handschriften die de Byzantijnse traditie volgen.

txt

Tekst

In het apparaat duidt dit de lezing aan die de redacteurs in de hoofdtekst hebben geplaatst.

om. (= omittunt)

Weglating

Betekent dat de genoemde manuscripten het betreffende woord of vers volledig weglaten (zoals D bij Lukas 24:12).

 

 

Voorbeeld: Lukas 24:12

U ziet een editie die de Westerse tekst volgde en dus vers 12 niet opnam. Uitleg en toelichting van dit voorbeeld op deze pagina

 

luk 24:12 - omitted